De burgerlijke maatschap: Is en blijft een mooi instrument voor organisatie familievermogen (Ook na de 3 Vlabel Beslissingen van 2024)

Tenminste…Voor wie haar geen geweld aandoet…

Ik was enigszins verrast toen een vermogende goede vriend mij vertelde dat men “dus” nu de burgerlijke maatschap niet meer nuttig kan gebruiken bij successieplanning en de er bij horende vermogensorganisatie.

Toch wel… was mijn reactie.

Reden genoeg om in deze Blog even te bekijken wat de concrete impact van de 3 parallelle beslissingen van de Vlabel terzake in 2024 eigenlijk is.

En conclusie: de Vlabel heeft overschot van gelijk en ontdekt de toepassing van de algemene anti-misbruik bepaling, doch… sluit een passend gebruik van de burgerlijke maatschap helemaal niet uit.

Mits wat gezond verstand…. Weet U nog wel…?

Waar komt het gebruik van de burgerlijke maatschap voor vermogensorganisatie eigenlijk vandaan?

Teruggrijpen naar de “origine” en initiële redenen voor het gebruik van de burgerlijke maatschap heeft zijn nut. Ook voor enige duiding van een passend gebruik vandaag.

En voor één keer heb ik, denk ik, recht van spreken. U zal zeggen “Une fois n’est pas coutume….”.

De figuur van de burgerlijke maatschap was in 1992 een hersenspinsel als onderdeel van mijn doctoraatsthesis over Fiscale Transparantie[1], gewoon omdat deze nu eenmaal ook fiscaal transparant is. Zonder verdere bijbedoelingen.

En laat het nu zo zijn dat door de Wet van 27 maart 1992 de overdracht van cash naar een laag belaste entiteit niet langer tegenstelbaar was aan de fiscus (uitbreiding van de toepassing van artikel 344,§2 WIB92).

Tot dan gebruikte de vermogende Belg, waarbij “vermogend” algemeen geschat werd vanaf toen 50 mio Bfr (€ 1,25 mio…), als houdster entiteit voor roerende beleggingen de Luxemburgse zogenaamde Holding ’29. Vrijgesteld van belasting in Luxemburg mits toen betaling van een jaarlijkse kleine abonnementstax.  Met als gevolg dat de recurrente rendementen van Belgische oorsprong weliswaar aan de volle roerende voorheffing werden onderworpen, maar dat er verder geen belasting te bespeuren viel (was een ander tijdperk wat betreft taxatie van liquidatiebonussen e.d.). Men schonk de aandelen van de Holding ’29, organiseerde controle via deze rechtspersoon, en dat was het dan.

Op een Biblo seminarie begin 1993 met als passende titel “Is er leven na de Luxemburgse holding ’29?” presenteerde ik voor het eerst voor een groot publiek, reuze volle zalen waren toen nog gebruikelijk…,  het gebruik van de burgerlijke (toen nog genoemd) vennootschap.

Het kernpunt was (en is) dat men bij gebruik van een burgerlijke maatschap ook een algehele fiscale vrijstelling van opbrengsten van beheer van privé vermogen kende (was uiteraard vóór de invoering van de nieuwe algemene meerwaardebelasting dit jaar) mits onderwerping van de recurrente opbrengsten van Belgische oorsprong aan de (bevrijdende) roerende voorheffing. Identiek resultaat dus als bij gebruik van een Holding ’29. Tot zover de genese.

Men kon dan uiteraard de deelbewijzen vervolgens schenken (mits de ouders konden doorgaan als twee oprichters wegens vereiste van meerhoofdigheid), of eerst roerend vermogen schenken en vervolgens samen met de kinderen oprichten.  De volgorde leek, en lijkt, mij in principe onverschillig.

Vanaf het eerste moment tot op vandaag[2] beschreef ik de burgerlijke maatschap als een “familiale beleggingsclub”, waarbij de familie rond de tafel zit voor het beheer van het geschonken vermogen, met mogelijkheid tot accumulatie van opbrengsten (vooralsnog geen uitkering naar de kinderen), een leerproces voor de volgende generatie en wellicht een bestuursregeling met toenemende zeggenschap voor de kinderen. Intuïtief ging ik er daarbij van uit dat dit opzet de organisatie betreft van het aanhouden in familiaal verband van geschonken roerend vermogen, eigenlijk zonder behoud van vruchtgebruik omdat de burgerlijke maatschap toelaat tegemoet te komen aan heel wat wensen en verwachtingen van de ouders.

Men kan de figuur natuurlijk ook gebruiken om de met de kinderen onverdeeld aangehouden aandelen van een familievennootschap mee te organiseren. Waarbij het fundamentele verschil met het gebruik van een Stichting Administratiekantoor (STAK) er in bestaat dat men uitgekeerde dividenden (als die er al zijn) kan accumuleren binnen de maatschap. Een STAK heeft terzake een doorstortingsplicht.

De private bankers van KBC waren de eersten om deze techniek op te pikken en toe te passen, en tevens nader uit te werken in een boekje. De rest is geschiedenis.

Hoever kan men gaan…?

Ik zag inmiddels dat men bij successieplanning soms wel erg ver ging om via een combinatie van “schenking met voorbehoud van vruchtgebruik” en het aanhouden middels een burgerlijke maatschap, de volledige controle te voorzien voor de/een schenkende ouder(s).

Men voorziet daarbij eigenlijk zowel een broeksriem als bretellen.

Immers:

  • 1°   De schenking met voorbehoud van vruchtgebruik verleent op zich al een vergaande controle aan de ouders, houders van het vruchtgebruik.

Betreft de schenking aandelen van een familievennootschap, dan hebben de ouders de volledige stemkracht voor alle “normale” beslissingen op de aandeelhoudersvergadering, zoals daar zijn: de dividenduitkering en de benoeming van bestuurders. Handig toch? En misschien vaak eigenlijk al voldoende? Al bij al heeft men geschonken. En “Donner et retenir ne vaut”.

Betreft de schenking een portefeuille dan kan men deze duiden als een “universaliteit”, één geheel. Deze benadering werd door briljante collega’s aan de KULeuven ontwikkeld en strekt ertoe dat de verkoop met wederbelegging van één van de “lijnen” van de portefeuille, een daad van beheer uitmaakt, die toekomt aan de vruchtgebruiker, en niet een daad van beschikking, waarvoor de naakte eigenaars moeten meespelen. Men kan gerust vergelijken met het beheer van een bos (bomen): het kappen van enkele bomen is een daad van beheer, onderhoud. Het hout van een boom is een vrucht van het bos. Het hele bos rooien is een daad van beschikking. Mits natuurlijk, wat een portefeuille betreft, de verkoopopbrengst in de portefeuille geherinvesteerd wordt en verder voorwerp uitmaakt van de opsplitsing naakte eigendom/vruchtgebruik. Deze situatie wordt quasi steeds volledig in de schenkingsakte omschreven.

En dan is er nog zo iets als het “quasi-vruchtgebruik” voor consumeerbare goederen, die door het gebruik teniet gaan. De vruchtgebruiker wordt daarbij als eigenaar aanzien van deze activa, onder de verplichting aan het eind van het vruchtgebruik deze te restitueren of de waarde ervan te vergoeden.  Echter, bij een levenslang vruchtgebruik zou ik hier heel voorzichtig mee zijn. Want dan is er een vergoedingsplicht bij overlijden (in theorie een schuld van de nalatenschap), doch dit gelijkt dan toch wel heel heel erg op een schenking onder opschortende voorwaarde van het overlijden. Situatie die in Vlaanderen door artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF als een aan successierechten onderworpen “legaat” wordt bestempeld.

Maar al de voorgaande bemerkingen omtrent het behoud van vruchtgebruik, leiden tot de conclusie van mijn boekje “vermogensplanning”[3] die luidt: in het overgrote deel van de situaties is een goed uitgewerkte schenking voor notaris, met voorbehoud van vruchtgebruik, beding van automatische terugkeer (of optionele terugkeer) bij vooroverlijden zonder kleinkinderen (in die tak) en desgevallend de definiëring van de jaarlijkse omvang van het recht op opbrengsten voor het geval men zou beleggen in kapitaliserende instrumenten, een afdoende “oplossing”. Met de eventuele toemaat dat een “portefeuille” een “universaliteit” uitmaakt.

  • 2°   De uitbouw van de bestuursregeling van een burgerlijke maatschap kan op zich ook volstaan om gestelde objectieven te bereiken.

We hebben het dan over een schenking in volle eigendom van deelbewijzen, of van roerend vermogen dat vervolgens in de burgerlijke maatschap wordt ingebracht (zonder impliciete ruil).[4] Door de toebedeling van de bestuursbevoegdheid aan de ouders, en de mogelijkheid tot accumulatie van opbrengsten op een gezamenlijke rekening op het niveau van de maatschap, kan men ook hier zeer ver geraken. De ouders beheren, met communicatie naar/overleg met de kinderen, met een regeling die voorziet in een toenemende mate van zeggenschap van de kinderen. Het vermogen blijft samen, één en ondeelbaar, en de kinderen moeten studeren en gaan werken want uitkeringen blijven, indien en voor zover men dit wenst, collectief belegd op het niveau van de maatschap.

Ik weet het…. En van wat leven de ouders dan? Zal U vragen. Ook hier: gezond verstand en “In die Beschränkung zeigt sich den Meister“.

De (Mijn…) klassieke leer is dat ouders er over waken niet het gehele vermogen te schenken, doch een deel te behouden dat men over de jaren “ontspaart”. Het alternatief is het opzetten van een “vaste inkomstenstroom” wat op veel verschillende manieren kan worden uitgewerkt. Al aan winstbewijzen op het niveau van de familievennootschap gedacht? Levenslang, onoverdraagbaar, vast dividend. Een schenking met last biedt als “last resort” ook ruime mogelijkheden. Men stelt een jaarlijks leef budget vast, bijvoorbeeld 1 miljoen of 500.000 euro, ik zeg maar wat, en in de mate andere inkomstenbronnen de ouders daar niet aan toe laten komen, draagt men vanuit het geschonken vermogen het saldo bij. Desnoods met verkoop van enkele percenten van de portefeuille. Een goede wealth manager beheert dit dan wel voor de familie.  

Trouwens, ten gevolge van de recente vereisten voor burgerlijke maatschappen inzake UBO vermelding en het opstellen van rekeningen, gaat men in enkele families minder ver. Men schenkt gewoon in onverdeeldheid, zonder deze te verheffen tot een burgerlijke maatschap. Wat betreft aandelen van een familievennootschap geldt dan de regel dat de onverdeelde eigenaars 1 vertegenwoordiger moeten afvaardigen om de in onverdeeldheid aangehouden aandelen te stemmen. En met een klein belang nemen de ouders deel aan de onverdeeldheid. Wat betreft een portefeuille wordt dan een beheermandaat aan een derde gegeven. Waarom niet?

De voorgaande technieken maken het mogelijk een passende controle te laten behouden door de schenkende generatie. Wenst men verder te gaan dan dat, dan moet men zich wat mij betreft in de eerste plaats de vraag stellen of dat wel verstandig is. Los van fiscale overwegingen. Pater of mater familiassen die mordicus meer dan 100% controle wensen te behouden tot aan het overlijden, of soms zelfs daar nog over heen… worden best uitgenodigd zich daar vragen bij te stellen.

En hoever kan men te ver gaan…?

Het behoud van erg vergaande controle is echter in een aantal gevallen echt wel het objectief. Zeker wat betreft bijzonder grote vermogens wenst men soms reeds te schenken op een ogenblik dat de kinderen, bijvoorbeeld, nog minderjarig zijn. Of nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn. Wat zich mogelijks situeert rond de leeftijd van 25 jaar. Na afstuderen en zo.

Men beoogt de situatie die ik noem: de quantum fysica van de successieplanning. In de quantum fysica leert men ons dat de lokalisatie van een deeltje “an sich” onbekend is, een probabiliteit uitmaakt, en dus het voorwerp van een waaier aan kansen uitmaakt. Het is de waarneming die het deeltje figeert. Door de interactie met de waarnemer (of het object gebruikt voor de waarneming) verkrijgt een partikel een waarde, een deeltje een lokalisatie. De werkelijkheid bestaat niet zonder de waarneming. Boeiend.

Bij een schenking met (optionele of automatische) terugkeer bij vooroverlijden komt men een beetje tot hetzelfde: indien de ouders overlijden bevindt het vermogen zich bij de kinderen, ten gevolge van de schenking. Overlijdt een kind dan bevindt het vermogen zich bij de ouder(s). Niet door vererving maar door ontbinding van de schenking zelf. Het vermogen zweeft dus wat dat aspect betreft tussen de twee generaties. Doch… best enkel wat dat aspect betreft, want de schenking moet reëel blijven en gevolgen kennen.

Maar het is dus zeer begrijpelijk dat, vooral als men schenkt aan een nog relatief jonge volgende generatie, men net iets verdergaand de controle wenst te behouden over het vermogen, qua beheer, qua uitkeringen, ja zelfs que beschikking en vervreemding.

Hoever men soms gaat, werd vooreerst duidelijk in een Beslissing van de Vlabel van 14 november 2016 waar de concrete situatie een schenking aan minderjarige kinderen betrof met veel zeer vergaande controle en zelfs terugname mogelijkheden. Normaal denkende adviseurs die deze Beslissing lazen, kwamen al snel tot de bevinding dat deze echt wel “ad hoc” was en dat de Beslissing logischerwijze vereist dat er van een schenking toch iets moet overblijven, wil deze tegenstelbaar zijn met het oog op het vermijden van de successierechten. Donner et retenir ne vaut… ten voeten uit.

In de jaren die volgden verschenen verschillende Vlabel beslissingen die er toe strekten een normaal gebruik van een burgerlijke maatschap na een schenking te aanvaarden zonder dat er zich issues voordeden wat betreft successierechten, tegenstelbaarheid e.d.

VB 24058 – VB 24070 – VB 24072

En toen kwamen er de drie parallelle beslissingen vermeld in de tussentitel.[5] Algemeen bestempeld als een “koerswijziging” van de Vlabel. Maar is dat ook zo?

Alvast opvallend is de aanwezigheid in elk van deze Beslissing van bijzondere gelijklopende onderliggende feiten en planning, en van de vermelde bewoordingen van het maatschapscontract in deze drie Beslissingen. Wat doet vermoeden dat het drie dossiers betreft van dezelfde adviseurs, die een opzet uitwerkten dat ze enkele malen hergebruikten. Wat op zich zeer logisch en normaal is: goede benaderingen moeten gevolgd worden.

Tweede opvallend element: de Vlabel richt de pijlen niet zozeer op het gebruik van de burgerlijke maatschap “an sich”, de familiale beleggingsclub. Neen, de kritische benadering betreft de combinatie van vergaande controlerechten op basis van een bij de schenking voorbehouden vruchtgebruik, met volledige en onwrikbare levenslange controle via een zeer strak uitgewerkte  regeling voor het bestuur van de maatschap.

Behalve wat betreft het verlenen van een hypotheek of een pand, komt de volgende generatie tot aan het overlijden van de schenkende ouders hoegenaamd niet aan bod[6]. Geen “beleggingsclub overleg”, geen over de tijd toenemende zeggenschap voor de kinderen.

In de casussen stellen de statuten dat er op “aandeelhoudersniveau” van de maatschap unanimiteit moet zijn. En dit wordt dan aangewend om te stellen dat de kinderen zeggenschap hebben. Men kan de vaststelling echter ook omkeren (zoals de Vlabel dat doet): deze regel strekt er eveneens toe dat de ouders tot het eind de volle zeggenschap of minstens een veto hebben. En deze regel moet trouwens samen gelezen worden met het voorbehouden vruchtgebruik wat ook zeggenschap geeft, en stemrecht. Én met het feit dat statutair alle beslissingen tot “reservering” op maatschapsniveau, en tot uitkering van ontvangen en geaccumuleerde opbrengsten uitsluitend aan de zaakvoerders (de ouders) toekomen. Wat toch wel wat bijzonder is.

De Beslissing van de Vlabel zegt dat deze constructie, met combinatie van maatschap en voorbehouden vruchtgebruik, het principe “donner et retenir ne vaut” schendt, en doet dit op een juridisch-technisch mijns inziens correcte wijze:

  • Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF onderwerpt schenkingen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden aan de erfbelasting;
  • In casu is er fiscaal misbruik omdat men komt tot een situatie waar ten opzichte van de kinderen alle gevolgen van een schenking worden opgeschort tot aan het overlijden, doch door gebruik van andere juridische technieken;
  • Dit frustreert de wetgever, want gaat in tegen de intentie die hij had met artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. Met name dat schenkingen die men wenst te begunstigen met een 3% (7%) tarief schenkbelasting, ook daadwerkelijk een schenking zijn waarbij de volgende generatie het vermogen verwerft of minstens toetreedt tot het familievermogen (toepassing van de algemene anti-misbruik bepaling vervat in artikel  3.17.0.0.2 VCF). De Vlabel citeert hierbij uitgebreid uit de Memorie van Toelichting bij de invoering van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

De Vlabel Beslissingen drukken dit uit als volgt: “De ratio legis van deze bepaling is dat een schenker niet de facto de overdracht van geschonken goederen mag uitstellen tot op het ogenblik van het overlijden…….de voorgenomen verrichtingen tot doel hebben de rechtstreekse toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF te ontwijken.”

Het komt mij voor dat de Vlabel daarbij vooral rekening hield met de combinatie van:

  • Enerzijds de duurtijd van het opzet (tot aan het overlijden) en de absolute onveranderlijkheid van de bestuursregeling en beheers- en beschikkingsbevoegdheid tot aan dat overlijden; en
  • Anderzijds de zeer vergaande bevoegdheden toebedeeld aan het bestuur (de zaakvoerder) die de bevoegdheid had alle beleggingen te beheren, activa te verkopen, één en ander te herbeleggen, inkomsten te bestemmen, te beslissen over uitkeringen, en dit alles zonder enige inmenging van de kinderen die door de statuten expliciet uitgesloten waren van enige bevoegdheid.

Men kan tegenwerpen dat een voorbehoud van vruchtgebruik ook levenslange rechten biedt aan de vruchtgebruiker, dat deze recht heeft op alle inkomsten en dat de vruchtgebruiker aandelen die het voorwerp van het vruchtgebruik uitmaken kan stemmen.

Dat klopt maar… (i) het is zeer onzeker of binnen een maatschap geaccumuleerde tegoeden rechtens de vruchtgebruiker blijven toekomen; (ii) het stemrecht kent zijn geëigende beperkingen; het beschikkingsrecht is niet zomaar aanwezig en is er zelfs in principe niet, (iii) enz… Het is de combinatie met de vergaande bestuursbevoegdheid binnen de maatschap die leidt tot het overschrijden van de tipping point. Die er toe leidt dat men verder te ver gaat dan men mag of kan te ver gaan…

Wat hebben wij vandaag geleerd?

Drie dingen denk ik.

Ten eerste: dat de drie parallelle Vlabel beslissingen er toe strekken dat al te intelligent gevonden juridistische constructies om er voor te zorgen dat na een schenking de schenkers eigenlijk in een wat hen betreft quasi onveranderde leefwereld blijven, ook qua erfbelasting niet werken.

Zeer goed bedoelende, briljante spitsvondige juristen vergeten één ding: toen ik jong, knap en sportief was, mocht men fiscaal juridistisch spitsvondig zijn met gunstig fiscaal effect. No worries.

Vandaag, nu ik niet meer jong ben, is dat niet langer het geval.

Men mag zeker nog verrichtingen stellen die leiden tot minder belastingen, doch onder één voorwaarde: dat men dat niet doet, uitsluitend of voornamelijk, om minder belastingen te betalen, of dat men dat doet op een wijze die de wetgever niet “frustreert”.

Of nog, indien men zich organiseert om welke reden dan ook, en vervolgens met verwondering vaststelt dat men daardoor ook nog eens minder belastingen gaat betalen, dan is men goed bezig.

Men is ook goed bezig indien men een route neemt die door de wetgever bekeken, en herbekeken werd, en van een specifieke regel werd voorzien, zodat men niet geacht kan worden de wetgever “te frustreren” (het doet mij plezier dat deze term die collega De Broe en ik hebben gelanceerd, ook in de Vlabel beslissingen wordt overgenomen). Zo een route is een schenking aan 3%, of een onrechtstreekse schenking mits de schenker nog 5 jaar overleeft.

Maar de eerste geleerde les is dus: de Vlabel heeft in deze Beslissingen expliciet, en duidelijk en correct onderbouwd, toepassing gemaakt van de algemene anti-misbruik bepaling inzake successierechten. Helemaal nieuw is dat niet. Maar het is duidelijk dat adviseurs in de sector inkomstenbelastingen dat al veel langer gewoon zijn, en dat in hun advisering hebben ingecalculeerd. De drie Beslissingen zijn terzake een belangrijke wake up call inzake planning met het oog op het vermijden of verminderen van successierechten.

Ten tweede: zoals ik ook beschrijf in de inleiding van mijn boekje “Vermogensplanning”: een adviseur die een familie begeleidt inzake successieplanning doet er goed aan zelf mee te denken over de vooropgestelde betrachtingen. En de klant diets te maken dat sommige van zijn verzuchtingen en/of verwachtingen nu eenmaal de soliditeit van de benadering onderuit halen, of op zijn minst “at risk” stellen. Iets wat men inzake successieplanning echt niet wenst. Goede adviseurs beperken hun advies niet tot hun juridisch arsenaal.

Ten derde: gezond verstand loont. Maar dat wist U uiteraard reeds. Concreet betekent dit dat men, echt wel reële gevolgen moet laten voortkomen uit een verrichte, definitieve en onherroepelijke schenking. De kinderen worden (mede-)eigenaar wat impliceert dat men hen een betrokkenheid bij (het beheer van) het vermogen toebedeeld, of tenminste gradueel inbouwt. En dat bij voorbehoud van vruchtgebruik men de gebruikelijke grenzen van de rechten van de vruchtgebruiker niet helemaal wegneemt.

Een toemaatje…

In de drie Beslissingen handelt de Vlabel ook nog over een ander aspect van de voorgelegde planning.

Het voorgelegde opzet voorzag in een zogenaamde inbreng ten behoeve van de andere aandeelhouders. In een bestaande maatschap brengen (veelal) de ouders bijkomende vermogensbestanddelen in, zonder dat daarbij nieuwe aandelen worden uitgegeven. De vermogenswaarde groeit daarbij dan aan ten voordele van de andere deelnemers, veelal de kinderen.

De Vlabel bevestigt eenduidig dat dit een “onrechtstreekse schenking” betreft. Een juridische akte die niet een schenkingsakte is, maar er wel het economisch gevolg van heeft, met “animus donandi”. De verrichting zelf leidt niet tot schenkbelasting, maar wel tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF: de waarde van de onrechtstreekse schenking wordt onderworpen aan de successierechten in geval van een overlijden van de (onrechtstreekse) schenker binnen de 5 jaar.

Ook deze geleerde les is eigenlijk zeer relevant. Zeer terecht is de Vlabel in wat hogere mate achterdochtig en voorzichtig indien de vermogensovergang geschiedt zonder de betaling van de 3% (of 7%) schenkbelasting wat roerend vermogen betreft. Vandaar: werken met een notariële akte, of op zijn minst een “pacte adjoint” die men registreert en die leidt tot de betaling van de schenkbelasting, verdient een stipnotering.

En nog eentje…

En nu we toch bezig zijn…

De Vlabel sprak zich ook al uit over het lot van het oppotten/accumuleren van inkomsten op het niveau van de maatschap. Indien en in de mate deze daarbij aangroeien ten gunste van de kinderen, de naakte eigenaars, is er evenzeer een onrechtstreekse schenking waarbij de vruchtgebruiker afziet van zijn recht op deze periodieke uitkeringen.

Dus, beter uitkeren (de bevrijdende roerende voorheffing werd toch betaald) en desgevallend formeel schenken, of voorzien dat deze geaccumuleerde opbrengsten ook aan de vruchtgebruiker toekomen. Ook dan is wat deze bedragen betreft evenwel de “successie niet geregeld”. Deze benadering zou van toepassing zijn voor accumulaties vanaf 1 juni 2017….

Wenst men dit eenvoudig op te lossen op een definitieve wijze? Dan kan men in een pacte adjoint de toebedeling van de opgepotte middelen aan de aandeelhouders-kinderen bevestigen, eenvoudig uploaden op My Minfin, twee weken later de 3% betalen, en klaar is Kees. Voor de eeuwigheid.


[1] HAELTERMAN,A., Fiscale transparantie – Theorie en praktijk in België, Biblo, 1992, 490p.

[2] Zie o.a. de bespreking in HAELTERMAN, A., Vermogensplanning – Een referentiekader, DieKeure, 2025, 90p.

[3] “Vermogensorganisatie” was eigenlijk een betere titel voor dat boekje geweest…

[4] Voor wat betreft de impact en de aandachtspunten ten gevolge van de invoering van de veralgemeende meerwaarde belasting, verwijs ik graag naar mijn specifieke Blogs terzake (ook te vinden op www.axelhaelterman.com) en die door de Minister van Financiën bij de bespreking in tweede lezing van de ontwerp wettekst in de Kamercommissie voor financiën als richtinggevend werden bestempeld. Mijn analyse instrument, al dan niet “impliciete ruil”, is trouwens ook overgenomen in de recente Circulaire 2026/C/74 die de administratie op 22 juli 2026 publiceerde over toepassingsvragen met betrekking tot de meerwaardebelasting.

[5] U kan eenvoudigweg googelen op VB 24058, VB 24070 en VB 24072, en dan ziet U als eerste resultaat de link naar de full tekst verschijnen.

[6] Wat mij betreft duidt deze bijzondere vereiste van toestemming door de kinderen bij hypotheek of pand, er op dat juristen ergens iets zochten om als bevoegdheid aan de kinderen te verlenen, zonder ook maar enigszins de overigens echt wel volstrekte en volledige bevoegdheid van de ouders te beknotten. Of nog, als men een aanwijzing van enige bevoegdheid voor de kinderen wenst in te bouwen, dan zoekt men beter iets substantiëler en minder strikt juridisch en eerder hypothetisch. We hebben het immers over vermogensorganisatie van vermogende families. Daar worden geen hypotheken of panden op deze geschonken vermogensbestanddelen ook maar overwogen.

Share the Post:

Follow my Blogpost

Sign up to receive new blog posts from Axel Haelterman in your inbox.

You will receive an email to confirm your subscription

We don’t spam! Read our privacy policy for more info.

Related Posts

Scroll naar boven