Losse eindjes vastgeknoopt! Van de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting: Deel 1

“Ce qui va sans dire, va encore mieux en le disant. (Talleyrand, 1835).

Als we verschillende « commentatoren », soms van eigenlijk wel gekende kantoren, mogen geloven, dan leiden ook vandaag nog de teksten over de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting tot een lange reeks onzekerheden.

Welnu, ook al is het duidelijk dat het schrijven van fiscale wetten een “les in nederigheid” is, deze Blogs zijn er op gericht onterecht gezaaide onzekerheid onderuit te halen door de aandacht te vestigen op enkele eenvoudige evidenties.

Vandaag richten we de aandacht op drie zogenaamde “losse eindjes”, die er echt wel geen zijn:

  • De toepassingssfeer van de “interne meerwaarde” regeling;
  • Het domein van onverdeeldheden en maatschappen; en
  • De certificering.

Met telkens echt wel duidelijke antwoorden.

Interne meerwaarde

Op 6 december 1999 schreef ik in Fiscoloog dat de BBI voor het eerst de verkoop van aandelen van een familievennootschap aan een persoonlijke holding, taxeerde op basis van toenmalig artikel 90, 1° WIB 92: de realisatie van een meerwaarde op aandelen die niet zou kaderen in het kader van het normaal beheer van het privé-vermogen. Dat ik schreef dat hier in bijzondere casussen misschien wel een redelijke basis voor kon aanwezig zijn, werd mij in de fiscale advies wereld allerminst in dank afgenomen.

Sedertdien kende dit leerstuk een bijzondere ontwikkeling en werden bakens uitgezet en krijtlijnen uitgetekend.

De nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting is in het bijzonder van toepassing wat betreft deze zg. “interne meerwaarden”. De wettekst leidt tot een belastbaarstelling van een “interne meerwaarde” (gedefinieerd begrip) in alle gevallen.[1] De onderliggende motivering is duidelijk dat men door de verkoop van aandelen aan een vennootschap die men controleert steeds een verrichting tot stand brengt die toelaat als meerwaarde de vermogenswaarde te realiseren die men anders als dividend aan zich zou hebben moeten uitkeren.

De keuze om steeds tot heffing over te gaan indien de nieuwe definitie van “interne meerwaarde” gehaald wordt, is politiek, en dus niet het voorwerp, noch het onderwerp, van mijn Blogs.

Toepassing a contrario wat betreft vroegere verrichtingen

De invoering van deze veralgemeende belastbaarstelling is in de eerste plaats interessant om verrichtingen die plaatsvonden vóór 1 januari 2026 nader te kunnen duiden. Zowel de tekst van de Memorie van Toelichting als de tekst van de antwoorden die de minister bezorgde aan de Kamercommissie financiën zijn in dat verband bijzonder nuttig. Immers, uit de nieuwe veralgemeende belastbaarstelling van een interne meerwaarde bij verkoop van aandelen, volgt a contrario en zeer terecht, dat voorafgaand een dergelijke verkoop niet noodzakelijk tot belastbaarheid van een interne meerwaarde moest leiden. Dit ongeacht de rulingpraktijk waar standvastig een “inbreng” van aandelen werd vereist.

Lectuur van Memorie en antwoorden leert dat er inderdaad diverse situaties zich aandienen waar er tevoren geen belastbare interne meerwaarde aan de orde was:

  • Situaties waarbij aandelen werden overgedragen in vennootschappen waar de houder hoegenaamd geen zeggenschap had over dividenduitkeringen, zodat de geviseerde situatie (zijnde verkoop en vervolgens dividend opstroming) niet aan de orde is wegens gebrek aan controle over de dividend stroom. Interne meerwaarden betreffen de verkoop “van zijn/of haar bedrijf”, niet van enkele aandelen waarover men overigens zou beschikken;
  • De interne meerwaarde regeling viseert voornamelijk situaties van overdracht aan een gecontroleerde holdingvennootschap zodat al de bestaande reserves maar ook toekomstige reserves ten belope van de verkoopprijs uit de exploitatievennootschap kunnen worden gehaald zonder inhouding van roerende voorheffing (cfr voorgaande vaststelling) en veel minder andere situaties;

Anderzijds leren de teksten dat wel geviseerd werden de situaties waarbij:

  • De kopende vennootschap een rekening courant schuld verkreeg tegenover de verkoper, terug te betalen met toekomstige dividend opstroom;
  • Verrichtingen exclusief met een fiscaal doel gesteld;

Dit is in lijn met de rechtspraak terzake: voor personen met een zeker aandelenbezit is de overdracht naar een familievennootschap een verrichting die kadert in het “normaal beheer van het privé-vermogen”, tenzij de verrichting echt wel fiscaal gezocht en excessief is, doordat de overnemende vennootschap de aandelen niet kan betalen anders dan met toekomstige dividendstromen. De ruling praktijk was daarbij strenger dan de rechtspraak.

Tot zover.

Verkoop aan een gecontroleerde vennootschap

Nogal wat commotie vanuit de private equity hoek over het feit dat de heffing van toepassing is bij verkoop aan een gecontroleerde vennootschap met verwijzing daarbij naar het begrip “controle” vervat in artikel 1:14 Wetboek Vennootschappen en Verenigingen.

En laat dat artikel nu ook eenmaal verwijzen naar de situatie van een “gezamenlijke controle” samen met andere aandeelhouders. Onterecht verbindt men daaraan dan de vaststelling dat dus verkopen aan joint venture entiteiten waarbinnen de verkoper samen met een private equity partner afspraken maakt om samen door zee te gaan, steeds tot belastbaarheid van een interne meerwaarde zouden leiden.  Of erger, men stelt: “ Dit is toch onduidelijk….”

Welnee. Eén en ander is glashelder.

De (ontwerp) wettekst is duidelijk:

  • Geviseerd zijn verkopen aan een vennootschap waarbij de overdrager de controle heeft;
    • Wat “controle” is, daarvoor verwijst de tekst naar het WVV, zoals het recht om de meerderheid van de bestuurders aan te duiden enz.enz.
  • Let wel, de verrichting is ook geviseerd indien de overdrager de controle heeft, samen met zijn “ ruime familie”, gedefinieerd als “ zijnechtgenoot of zijn afstammelingen, zijn ascendenten, zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot”.

Voilà, einde verhaal.

Over gezamenlijke controle met derden rept de wettelijke bepaling geen woord, en de verwijzing naar het WVV betreft de vraag “wat is controle”, en niet het concept van verdergaande “gezamenlijke controle”. Dus in geval van “gezamenlijke controle” samen met derden, geen interne meerwaarde.

Zo eenvoudig kan een issue zijn.

Onverdeeldheden en burgerlijke maatschappen: enkel heffing in geval van een “impliciete ruil”

Ook wat instappen en uitstappen bij onverdeeldheden en burgerlijke maatschappen betreft zijn er enkele collega’s dan toch maar weer in geslaagd twijfel te zaaien in een recente De Tijd bijdrage. 

Vermoeiend.

De regels zijn zonneklaar:

  • Het aangaan of beëindigen van een maatschapscontract leidt op zich niet tot een impliciete ruil: geen heffing.

Een “inbreng” in maatschap is hoegenaamd geen overdracht. Dergelijke “inbreng” impliceert hat met een vennootschapscontract “aankleden” van een bestaande onverdeeldheid[2];

  • Het opzetten van een onverdeeldheid waarbij elkeen dezelfde activa aanbrengt (X brengt 100 aandelen A, en Y brengt 50 aandelen A aan zodat X 2/3e en Y 1/3e van de onverdeeldheid aanhoudt): geen “impliciete ruil” en dus geen heffing. Het aangaan van een overeenkomst om een actief in mijn vermogen voortaan in onverdeeldheid aan te houden, zonder dat ik daarbij een gerechtigdheid verwerf in een verschillend actief, is geen “overdracht”, geen “realisatie”, maar een gewijzigde vorm van het blijvend aanhouden van mijn eigendom. Graag lees ik er over dergelijke topics Henri de Page (Traité élémentaire de droit civil, jaren ’60 vorige eeuw) op na:

La propriété peut être exercée par plusieurs personnes en indivision, mais elle conserve la même nature; seule la manière d’en user change. »

« L’indivision n’implique pas une “transformation” d’un droit de propriété, mais seulement une configuration juridique où plusieurs propriétaires exercent ensemble le droit de propriété. »

« L’indivision n’est pas un « droit nouveau »: Un indivisaire détient un droit de propriété, pas un droit différent. »

M.a.w. een onverdeelde eigenaar is, en blijft, ten volle “eigenaar” ook al worden activa aangehouden in het kader van een onverdeeldheid. Het “aanbrengen”[3] van activa in een onverdeeldheid, zonder dat deze  impliciet een ruil van één actief voor een ander impliceert (zie verder), wijzigt niets aan het feit dat de eigenaar, eigenaar is en blijft.

Daarentegen, telkens er wel een impliciete ruil aan de orde is, is er wel een gedeeltelijke overdracht en dus heffing.  Als X 100 aandelen A aanbrengt en Y 100 aandelen B, en men gaat in een 50/50 onverdeeldheid (al dan niet onder de vorm van een burgerlijke maatschap) dan realiseert X de helft van de A aandelen, en realiseert Y de helft van de B aandelen.

Bij uit onverdeeldheid treding hetzelfde:  indien elkeen in elk van de activa die in onverdeeldheid waren aangehouden mooi de eigen proportie terugneemt, dan is er geen “impliciete ruil”. Worden er echter op de persoon toegeschreven individuele “kavels” vastgesteld, dan is er wel een “impliciete ruil” en een realisatie, met eventuele heffing meerwaardebelasting.

Maar er is dus geen impliciete ruil, en dus geen meerwaardebelasting indien:

  • Ouders hun in huwgemeenschap aangehouden portefeuille in onverdeeldheid schenken aan de kinderen en deze daar een contract van burgerlijke maatschap rond opzetten. Binnen deze maatschap kunnen ouders in het bestuur benoemd worden (en dat kan een voorwaarde van de schenking uitmaken) zonder dat zij daarvoor extra cash of zo moeten aanbrengen;
  • Ouders een maatschap opzetten rond hun portefeuille en de maatschapsdelen schenken aan de kinderen;
  • Kinderen een bestaande maatschap beëindigen en het vroegere maatschapsvermogen verder in onverdeeldheid aanhouden.

Dus mits wat voorzichtigheid om een “impliciete ruil” te vermijden, leiden deze stappen in het kader van een vermogensorganisatie niet tot meerwaardebelasting. Deze wordt uitgesteld, want de aanschaffingswaarde (of foto-waarde op 31 december 2025) schuift mee door.

De huwgemeenschap als toemaatje

De tekst met antwoorden die de minister van financiën aan de Kamercommissie financiën bezorgde, stelt zeer terecht dat een aanbreng/inbreng van “eigen goederen” bij een uitbreiding van de huwgemeenschap (een bijzondere vorm van onverdeeldheid) weliswaar leidt tot een “overdracht” (een impliciete ruil) maar dat deze niet ten bezwarende titel geschiedt. Men opereert daar inderdaad in een totaal andere niet-economische context waar zeer diverse motieven aan de grondslag van een overdracht vanuit eigen vermogen naar een huwgemeenschap kunnen liggen.

De certificering van aandelen en andere activa

Artikel 13, §1 van de Wet van 15 juli 1998 stelt dat voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen  (en dus ook voor de toepassing van de nieuwe bepalingen inzake de veralgemeende meerwaardebelasting) de houder van certificaten… in ieder opzicht beschouwd [wordt] als aandeelhouder…en … de certificaten [worden] gelijkgesteld met de effecten waarop zij betrekking hebben.

§2 voegt daar aan toe dat, in afwijking van artikel 44, een meerwaarde vastgesteld bij certificering of wederomruiling  geacht wordt niet te zijn gerealiseerd.

Leidt deze §2 tot een issue in de nieuwe meerwaardebelasting? Omdat de tekst enkel afwijkt van artikel 44 wat betreft “niet gerealiseerde meerwaarde”?

Neen, er lijkt mij duidelijk geen issue te zijn.

Toch niet wat betreft de certificering en de-certificering van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen (die dus onder de toepassing van de Wet van 1998 vallen).

Immers, een “a contrario” lectuur van §2 is niet aan de orde. §2 dateert van 1998 toen er geen algemene meerwaarde belasting bestond (en ook niet in zicht was) en men kan dus onmogelijk zeggen dat het de “bedoeling van de wetgever” zou zijn geweest de “niet gerealiseerde meerwaarde” te beperken tot artikel 44 situaties inzake beroepsmatige meerwaarden.

En daarnaast, indien door de toepassing van het WIB een certificaat gelijkgesteld wordt met het onderliggend effect, en de houder in ieder opzicht blijvend beschouwd wordt als de aandeelhouder, dan ontneemt deze tekst elke basis om te stellen dat er een “overdracht” plaats vond. Want welke overdracht? Deze van, bijvoorbeeld, een aandeel in een instrument dat voor het WIB geldt als een aandeel? Immers, na de certificering wordt de certificaathouder voor de toepassing van het WIB voortdurend beschouwd als de directe aandeelhouder en wat hij/zij aanhoudt is hetzelfde als het gecertificeerde effect.

De verduidelijking door de minister verschaft in zijn parlementaire antwoorden is dan ook volledig correct.

Punt is, dat deze vaststelling niet enkel geldt voor gecertificeerde aandelen. Men vergeet immers vaak dat een Belgische NV en BV in toepassing van de bepalingen van het WVV certificaten kunnen uitgeven op om het even welke soort effecten, zolang die effecten overdraagbaar zijn.
Dat volgt uit art. 5:101 WVV (voor BV), art. 7:97 WVV (voor NV) en de algemene regels over certificering. Al die situaties vallen dus onder de bepalingen van de Wet van 1998 “betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen”. Het art. 13 bevat terzake geen beperking.

Ik ben in de creatieve rechtspraktijk voorstander van diverse soorten certificeringen, waarbij de economische eigendom door een certificaathouder wordt gehouden.[4]

Ik ben van oordeel dat men de inkomstengerechtigheid in een aantal gevallen zo kan omschrijven dat het de certificaathouder is die gerechtigd is. Of minstens een dadelijke doorstortverplichting inbouwen zodat de certificaathouder op zijn minst “uiteindelijk gerechtigde” wordt. Een “directe gerechtigde” is namelijk die persoon die het juridische afdwingbare recht heeft om het inkomen te doen uitbetalen gezien de juridische “causa” die onderliggend is.[5]

Maar dergelijke overwegingen gelden in dat kader niet wat betreft de vraag of er al dan niet een “overdracht” is. Bij afwezigheid van een fiscale bepaling (fiscale fictie) terzake, moet zakenrechtelijk worden vastgesteld dat een dergelijke certificering kan leiden tot een “overdracht”. Men moet daarbij het onderscheid maken tussen:

  • Certificaten uitgegeven door de eigenaar, voor wie dit een financieringsmethode is, geen overdracht;
  • Overdracht naar een stichting in ruil voor certificaten (die dan geschonken kunnen worden): wel een overdracht.

[1] De regeling impliceert niet, zoals in andere domeinen, een soort van onweerlegbaar vermoeden, maar stelt eenvoudigweg belastbaar.

[2] Ook  de bepalingen van het vernieuwde Wetboek vennootschappen en verenigingen bevestigen expliciet de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid en voegen daar, zeer correct, aan toe dat “de goederen die worden ingebracht….vormen een onverdeeld vermogen tussen de vennoten”. 

Het Wetboek bevestigt dus expliciet de blijvende geldigheid van de zakenrechtelijke analyse die hierboven wordt uiteengezet.

Het feit dat het Wetboek inzake de maatschap ook een “vennootschapsvermogen” definieert heeft geen enkele zakenrechtelijke doorwerking en strekt er hoegenaamd niet toe dat eigendom zou overgaan “naar de maatschap in ruil voor…”. Dit is trouwens, zoals gesteld, juridisch niet mogelijk.

Het omschrijven van een “vennootschapsvermogen” strekt er “enkel” toe te kunnen bevestigen dat (i) de vennoten het vennootschapsvermogen (zijnde het in onverdeeldheid aan gehouden vermogen waarop hun afsprakengeheel betrekking heeft) moeten aanwenden in het kader van de gemaakte afspraken (zoals dit ook het geval is met de concrete uitoefening van een in onverdeeldheid aangehouden eigendomsrecht), (ii) de schuldeisers van de vennoten niet rechtstreeks de activa die eigendom zijn van de vennoot kunnen aanspreken indien deze in maatschapsverband worden aangehouden maar daarbij de maatschap regels moeten respecteren, en (iii) om tot slot te bevestigen dat schuldeisers met vorderingen “in het kader van” de maatschap activiteit het vennootschapsvermogen van de maatschap integraal kunnen aanspreken én dat daarnaast de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn.

Deze vennootschapsrechtelijke teksten bevestigen dus expliciet dat bij de totstandkoming van een burgerlijke maatschap er geen eigendomsoverdracht “naar de maatschap” in ruil voor aandelen of deelbewijzen plaatsvindt, wat de bovenstaande analyse onderbouwt.

[3] De term “aanbrengen” lijkt correcter en duidt op het verschil met het “inbrengen”. Een “inbreng” is een vennootschapsrechtelijk begrip en is aan de orde indien bestanddelen in onverdeeldheid worden aangebracht waarbij deze leidt tot het tot stand komen van een vennootschap, een burgerlijke maatschap, ook al heeft deze geen rechtspersoonlijkheid (zie verder).

[4] Vele jaren geleden werkte ik ooit mee aan de certificering van door een vennootschap aangehouden “eigendomsrechten” op … voetballers. Was periode vóór het arrest Bosman denk ik… Dat was mogelijks wat vergezocht als concept…

[5] Wie ooit met mij werkte kent het belang dat ik hecht aan de “Soeur sourire” (zingende non) jurisprudentie. Gezien haar gelofte van armoede stelde ze dat haar royalties uitbetaald zouden worden aan het klooster. Niettemin werd geoordeeld dat zij belastbaar was op dat inkomen. De reden tot uitbetaling (de causa) betrof haar toekomende rechten als componist en performer. Dat zij over het inkomen “beschikte” door het toe te wijzen aan het klooster was dan eerder een bevestiging van deze gerechtigdheid…

Share the Post:

Follow my Blogpost

Sign up to receive new blog posts from Axel Haelterman in your inbox.

You will receive an email to confirm your subscription

We don’t spam! Read our privacy policy for more info.

Related Posts

Scroll naar boven