Het moet gezegd: met de Wet van 23 oktober 2025 (Staatsblad 24 november 2025) inzake de fiscaal neutrale zusterfusies heeft het N-VA team in de Kamer, op initiatief van Mevrouw Verkeyn, echt zeer goed werk geleverd. Dat leidt tot een vooruitgang in de dagelijkse praktijk van fusies,
Én er werd ineens ook gedacht aan de fiscaal neutrale fusie van vzw’s en stichtingen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn[1] (zoals de zogenaamde stichting “actieve holding”)[2].
De nieuwe wettelijke bepalingen ogen bijzonder technisch en ingewikkeld. Tijd dus om een Blog te wijden aan een conceptuele voorstelling van het regime van de ontbinding en vereffening, en de neutrale versie ervan in het kader van een fusie. Want één en ander is op conceptueel niveau echt wel eenvoudig en eenduidig… In mijn fiscale denkwereld…
De (belaste) liquidatie van de vennootschap als eenvoudig startpunt
De ontbinding van een vennootschap heeft op zich geen enkel fiscaal gevolg. Wel beveelt de Commissie voor Boekhoudkundige Normen aan een nieuw boekhoudkundig tijdperk te starten op dat moment. De rechtspersoonlijkheid en het vermogen blijven vooralsnog behouden en de vennootschap blijft onderworpen aan de gewone regels van de vennootschapsbelasting. Ik ken vennootschappen die op deze wijze al jaren “in vereffening” zijn.
Het is de vereffening en verdeling die tot fiscale gevolgen leidt. Deze kan in één keer plaatsvinden, of gespreid in de tijd, de gevolgen zijn in essentie dezelfde.
De vereffening en verdeling geven aanleiding tot een “reuze dividend uitkering” naar de aandeelhouders toe. Met de drie volgende, logische en eenvoudige, gevolgen:
- Alle actiefbestanddelen worden “gerealiseerd”, met belastbare (soms vrijgestelde) meerwaarden en soms met minderwaarden, waar deze aan de orde zijn. Er is dus een algehele “afrekening” wat de actiefbestanddelen betreft;
- Het gehele eigen vermogen (passiefzijde van de balans) gaat over naar de aandeelhouder, met de daar klassiek aan verbonden gevolgen:
- In de mate dit werkelijk gestort kapitaal betreft: geen vennootschapsbelasting en geen roerende voorheffing;
- In de mate dit belaste reserves betreft: geen vennootschapsbelasting en wel inhouding roerende voorheffing (tenzij de reserves zg. “liquidatiereserves” zijn aangelegd met een bijkomende heffing van 10%);
- In de mate dit vrijgestelde reserves betreft: heffing vennootschapsbelasting en onderwerping aan de roerende voorheffing.
- De aandeelhouder ontvangt een liquidatie-uitkering, die voor wat het bedrag aan gestort kapitaal te boven gaat, als een dividend belast wordt (bevrijdende roerende voorheffing; DBI regime)[3].
Is conceptueel eenvoudig, ware het niet dat de concrete berekeningen soms wat lastiger zijn. Uiteraard zal de belasting op gerealiseerde meerwaarden het per saldo bedrag aan uitgekeerd netto vermogen beïnvloeden, dat lukt nog. Maar ook verschuldigde vennootschapsbelasting op het uitgekeerde bedrag aan vrijgestelde reserves doet het uitgekeerde bedrag, ook het uitgekeerde bedrag aan vrijgestelde reserves, dalen. Dat wordt dus een beetje een circulaire berekening “onder het 100”.
De fusie als liquidatie
De eenvoud van de liquidatie moet worden doorgetrokken in een aantal situaties waar er niet echt een vereffening en verdeling plaatsvindt. Zoals bij een zetelverplaatsing naar het buitenland die de vennootschap vervolgens onttrekt aan de toepassing van de Belgische vennootschapsbelasting.
Maar ook als een vennootschap komt “te verdwijnen” omdat zij in een fusie wordt overgenomen, of een (volledige) splitsing ondergaat. Dat zegt artikel 210 WIB 92. De algemene continuïteit die zich juridisch en boekhoudrechtelijk aandient werkt dus fiscaal niet door. Dit om als uitgangspunt zekerheid te hebben dat geen belastbare materie samen met de vennootschap verdwijnt.
Met dus:
- Afrekening op alle actiefbestanddelen zoals bij een eenvoudige liquidatie;
- Afrekening in de vennootschapsbelasting op de aanwezige belastingvrije reserves;
- Een fictieve uitkering aan de aandeelhouders van het eigen vermogen, met principieel roerende voorheffing op wat het werkelijk gestort kapitaal overschrijdt.
Niet echt wat men zoekt.
Hoe fiscaal vrijgesteld verloopt de “fiscaal neutrale” fusie dan?
Gelukkig is het eerder standaard dat een fusie van vennootschappen voldoet aan de voorwaarden van de fiscale neutraliteit waarin artikel 211 WIB 92 voorziet. Vaak moet men echt zijn best doen wil men “opteren” voor een belaste verrichting…[4]
Immers, de neutraliteit is verworven zodra de verrichting (i) een echte fusie is (definitie staat nu in WIB 92 zelf), (ii) tussen vennootschappen in de EU gevestigd (dus steeds OK bij fusie tussen twee Belgische vennootschappen wat nog steeds het “quod plerumque fit” is), en (iii) de verrichting beantwoordt aan zakelijke motieven en is niet gemotiveerd is door belastingfraude (sic…) of belastingvermijding.
Dat laatste element wordt standaard afgeruled, en leidt er bijvoorbeeld toe dan na een geleveragete acquisitie, de opgezochte post-acquisitie herstructurering om de financieringskost van de overnemer aftrekbaar te maken van de belastbare cash flow van de target, enkel de vorm van een moeder-dochter fusie kan aannemen indien de overnemer zelf operationeel actief is in de sector van de target en er dus concrete synergiën aan de orde zijn.
Of nog, een fusie met zakelijke motieven kan slechts belastbaar zijn als men buiten de definitie van wat een ”fusie” is gaat wandelen: met name door een vergoeding in andere elementen dan aandelen van de overnemende vennootschap te gaan voorzien voor meer dan 10%![5]
En wat “koopt” men fiscaal met die neutraliteit? Welnu, hier wordt de driedeling (i) realisatie actief, (ii) uitkering eigen vermogen, (iii) belastbaarheid als uitgekeerde winst op niveau van de aandeelhouder, van groot belang. Daarom dat ik ze van bij de aanvang maakte…
Immers:
- Van de afrekening op de actiefbestanddelen koopt men zich dan dadelijk en volledig vrij. Dat zegt art. 211, eerste lid, 1° WIB 92.
- Maar men koopt zich niet automatisch vrij van eventuele vennootschapsbelasting op het uitgekeerde eigen vermogen en dus ook niet van een eventuele belasting op aandeelhoudersniveau. Dat is omdat het eerste lid, 2° van art. 211 WIB 92 stelt dat “belastingheffing voor het overige achterwege” blijft in de mate de fusie vergoed wordt met aandelen van de overnemende vennootschap.
De logica is duidelijk: in de mate de overnemer aandelen uitgeeft en daardoor zijn eigen vermogen verhoogt met het van de overgenomen vennootschap overkomende eigen vermogen, is er geen verlies aan informatie over wat zich precies bevond in dat eigen vermogen van de verdwijnende vennootschap: de overnemende vennootschap neemt het fiscaal profiel (met de eventuele fiscale latenties) van de verdwijnende vennootschap gewoon over en er is geen risico op verlies aan belastbare basis.
Echter, in de mate de overnemer netto vermogen van de verdwijnende vennootschap overneemt tegen cash (minder dan 10% want anders heeft men geen “fusie”), wordt dit netto-vermogen eigenlijk “gekocht” en schuift dit niet door naar het eigen vermogen van de overnemende vennootschap. In die mate gaat eigen vermogen van de verdwijnende vennootschap (en de daar aan verbonden fiscale kenmerken) verloren.
Met dan de vraag: wat gaat er in eerste instantie verloren. Op welk eigen vermogensbestanddeel gaat men dat in cash vergoede deel aanrekenen?
Gaat men eerst kapitaal laten “verdwijnen”? Prima: geen vennootschapsbelasting, geen roerende voorheffing.
Of eerst belaste reserves? In dat geval geen vennootschapsbelasting doch wel roerende voorheffing, tenzij men daarbij eerst de “liquidatiereserve” zou aanspreken.
Of eerst vrijgestelde reserves? Met in dat geval zowel vennootschapsbelasting als roerende voorheffing.
Welnu, het nieuws is “half goed”. Men rekent het proportionele deel van het verdwijnende eigen vermogen aan:
- Eerst op de belaste liquidatiereserves (geen vennootschapsbelasting, geen roerende voorheffing);
- Dan op de overige belaste reserves (geen vennootschapsbelasting, wel roerende voorheffing);
- Dan op de vrijgestelde reserves (vennootschapsbelasting én roerende voorheffing);
- En tot slot op het werkelijk gestort kapitaal (geen vennootschapsbelasting, geen roerende voorheffing).[6][7]
De “brave new world” van de zusterfusies
Een overigens minder algemeen bekende EU Mobiliteitsrichtlijn heeft het fusie (en dergelijke) landschap aangevuld met drie nieuwe figuren, die ook fiscaal neutraal dienden te worden mogelijk gemaakt:
- De Vereenvoudigde zusterfusie: deze is mogelijk indien alle aandelen van de twee gefusioneerde vennootschappen op gelijke wijze worden aangehouden. Er dus volstrekt identiek aandeelhouderschap is.In dat geval kan men door een fusie deze twee zustervennootschappen gewoon “in elkaar schuiven” zonder dat er ook maar enige technische noodzaak is voor de uitgifte van nieuwe aandelen: wat de aandeelhouder(s) tevoren aanhield(en) gespreid over twee vennootschappen, houdt deze/houden zij na de fusie aan via één vennootschap;
- De niet evenredige partiële splitsing: Deze betreft een “klassieke” partiële splitsing[8] waarbij de aandelen van de afgesplitste (nieuw gecreëerde) vennootschap niet evenredig aan de bestaande aandeelhouders worden uitgereikt, zodat deze kan worden aangewend om de aandeelhouders elk hun eigen entiteit in grotere mate toe te kennen;
- De grensoverschrijdende splitsing door scheiding: dit is een echt wel bijzondere vorm waarbij men een “partiële splitsing” verricht, maar de aandelen van de nieuw afgesplitste vennootschap komen niet toe aan de aandeelhouders van de originele vennootschap, maar gaan naar de vennootschap waaruit de afsplitsing voorkomt. Dit is dus een alternatief voor een “push down” van een bedrijfstak, maar zonder dat wat overgaat een “bedrijfstak” moet uitmaken. Zeer bijzonder wat mij betreft, en was deze figuur echt nodig?[9]
Maar bon.
Er waren dus fiscale bepalingen nodig die een vereenvoudigde zusterfusie fiscaal neutraal konden laten verlopen, zonder dat er nieuwe aandelen worden uitgegeven. Wat betreft het “niet afrekenen” op de actiefbestanddelen was dat geen issue. Van zodra dezer figuur als de fusie gedefinieerd werd in artikel 2 van het WIB 92 was de zaak geklonken.
Maar de experten die gevraagd waren één en ander uit te schrijven waren art. 211, eerste lid 2° WIB 92 vergeten. Weet U nog: “belastingheffing blijft voor het overige achterwege” naarmate er nieuwe aandelen worden uitgegeven. Een kleine vergissing.[10]
De wetsaanpassing inzake zusterfusies
Conceptueel “beperkt” de wetsaanpassing er zich dan ook toe in artikel 211 WIB 92 toe te voegen dat de fiscale neutraliteit volledig doorwerkt, ook wat betreft de elementen van het eigen vermogen van de verdwijnende vennootschap(pen), indien de verrichting een “vereenvoudigde zusterfusie” is. Ook al worden bij dergelijke verrichting geen nieuwe aandelen uitgegeven.
Punt aan de lijn.
Deze neutraliteit leidt niet tot enig risico: de volle waarde van het eigen vermogen van de verdwenen vennootschap wordt teruggevonden bij de overnemende vennootschap. Er is geen “gedeeltelijke verkoop” van netto-vermogen. De uitgifte van nieuwe aandelen wordt automatisch vervangen door de aangroei in de waarde van de reeds door de aandeelhouders aangehouden aandelen. Eenvoudig. Ware het niet dat de nieuwe bepalingen ook passend alle noodzakelijke randelementen aanpakken, zoals wat betreft doorlopende bezitsduur, het expliciet vermelden dat er geen aanrekeningen op verdwenen eigen vermogen aan de orde zijn, enz…[11]
Tot slot, inzake de BTW geldt de neutraliteit in geval van een overdracht van algemeenheid van goederen (en bedrijfstak), zonder dat naar een specifieke rechtsfiguur wordt verwezen waar deze in kadert. De vrijstelling vervat in art. 11 BTW-Wetboek is dus beschikbaar.
Fusies tussen vzw’s en/of stichtingen werden niet vergeten!
Bij de uitwerking van de teksten is er tevens over gewaakt dat in andere gevallen waar thans zowel onder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, als onder de definities van het WIB 92 fusies aan de orde zijn zonder uitgifte van nieuwe aandelen, een passend kader voor fiscale neutraliteit wordt geboden.
In het kort:
- Rechtspersonen (zoals de vzw en de private stichting) die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, zijn “vennootschappen” voor de toepassing van de bepalingen van het WIB 92: al wat in de artikelen 209, 210 en 211 WIB 92 staat is dus op hen van toepassing;
- Deze entiteiten hebben geen “aandelen” en al wat in de wetteksten naar aandelen verwijst kan dus niet van toepassing zijn. Maar als “aandelen uitgeven” een voorwaarde zou zijn voor een fiscale behandeling… kan deze dus ook op hen niet van toepassing zijn…
- Vandaar, een uiterst technisch ogende toevoeging in artikel 211 WIB 92 die verwijst naar “de verrichtingen bedoeld in artikel 2, § 1, 6°/1, vierde lid”. Het is immers deze bepaling die zegt dat bij aandelenloze vzw’s of stichtingen de algemene definitie van een fusie enz. ook geldt zonder dat men ook maar oog moet hebben voor aandelenuitgiftes of opleggen in geld;
- Dus de fusiebepalingen zijn op deze entiteiten van toepassing en de volledige regeling neutraliteit, zowel wat betreft de (niet) gerealiseerde actiefbestanddelen als wat betreft de netto vermogensovergang is van toepassing.
En bij de vzw of stichting die de overnemende entiteit uitmaakt, worden de eigen vermogensbestanddelen van de verdwijnende entiteit volledig, en fiscaal neutraal, binnen geschoven. Er is in dat kader immers geen enkele “uitkering van eigen vermogen” naar enige (niet bestaande) aandeelhouder mogelijk.
Ook inzake de registratierechten helpen recente aanpassingen: indien een vzw door fusie overgaat in een vzw geldt het 0% tarief voor “inbreng om niet” en indien deze verrichting private stichtingen betreft geldt het € 100 vast tarief.
Doenbaar…
[1] Gezien de recente, en mijns inziens zeer terechte, initiatieven van de Fod Financiën worden thans een aantal VZW’s en stichtingen onttrokken aan de toepassing van de rechtspersonenbelasting, en onderworpen aan de vennootschapsbelasting, maar dat is het onderwerp voor een volgende Blog.
[2] Een non-profit entiteit die actief betrokken is bij het bestuur van aangehouden “dochter” vennootschappen (bijvoorbeeld doordat de bestuursleden van de stichting controlerend deel uitmaken van de bestuursorganen van de onderliggende vennootschappen) is een “actieve holding” onderworpen aan de vennootschapsbelasting, wat de toepassing van de DBI-aftrek (eerstdaags DBI-vrijstelling) impliceert. Een topic die een aantal jaar geleden aan de orde was in het kader van het erg mediatieke fiscale “ACW”-dossier…
[3] Wat de aandeelhouder-vennootschap betreft moet daarbij rekening gehouden worden met de benchmark van de fiscale nettowaarde van de aandelen in de balans, wat soms tot bijzonderheden kan leiden, zoals uitgebreid uiteengezet in HAELTERMAN,A., Vennootschapsbelasting – Een inzichtelijk handboek, Die Keure, 2024.
[4] De fiscaal neutrale fusie is geen optieregime (zoals de fiscaal neutrale inbreng va bedrijfstak dat wel is). Als men aan de drie voorwaarden voldoet, is de neutraliteit automatisch va toepassing. Men kan dus enkel “opteren” door er voor te zorgen niet aan één van de voorwaarden te voldoen.
[5] Voor de duidelijkheid: reikt men bijvoorbeeld cash uit voor 11% dan is de hele verrichting belast. Reikt men cash uit voor 9% dan valt men onder de fiscale neutraliteit, maar deze zal voor de de gevolgen wat betreft de fictieve uitkering van netto-vermogen proportioneel niet gelden ten belope van die 9%, zoals in de volgende zinnen zal blijken.
[6] Opletten met deze “aanrekenregels”. Deze verschillen van verrichting tot verrichting en zijn dus anders voor de gewone liquidatie, de moeder-dochter fusie, de inkoop van aandelen gevolgd door een daling van het netto vermogen…
[7] De issue van de moeder-dochter fusie is in dit geval bijzonder. De dochter verdwijnt in de moeder, en er komen geen nieuwe aandelen van de moeder aan te pas. De tot dan door de moeder aangehouden dochter aandelen, vervallen gewoon en worden vervangen door het actief min het passief aan derden en de provisies van de overgenomen dochter. En toch vereist de EU fusierichtlijn dat deze verrichting fiscaal neutraal mogelijk moest zijn. Het is om die reden dat ik in de fiscale teksten terzake in 2008 heb ingeschreven (op verzoek van de toenmalige minister van Financiën) dat er enerzijds een andere en gunstigere aanrekenregel is voorzien voor verdwijnend eigen vermogen, maar vooral ook dat de moedervennootschap de mogelijkheid heeft ten belope van verdwijnende vrijgestelde reserves bij de dochter, deze te gaan herconstitueren door bij zichzelf bestaande belaste reserves om te vormen naar vrijgestelde reserves om aldus de er aan verbonden fiscale latentie over te nemen. En als ze daartoe onvoldoende reserves heeft, kan ze de vrijgestelde reserve aanleggen met tegenboeking van een belaste negatieve reserve… Fiscale quantum-fysica waarbij uit het niets iets ontstaat middels anti-materie…., iemand moet het doen…
[8] Het overgrote aantal van de splitsingen die ik vandaag begeleid zijn overigens “partiële splitsingen” waarbij de originele vennootschap blijft bestaan, doch er een “zustervennootschap” wordt naast geplaatst.
[9] In een grensoverschrijdende context kan men deze figuur gebruiken om een bestaande buitenlandse inrichting om te vormen in een buitenlandse dochtervennootschap. Aldus vermijdt men alle klassiek aan een branch verbonden issues, zoals het feit dat het bedrag van de in het buitenland op branch niveau belaste winst nooit gelijk is aan het bedrag van de in het land van vestiging vrijgestelde winst.
[10] Deze vergissing maakt voornamelijk duidelijk dat het schrijven van fiscale wetteksten een “les in nederigheid is”. Ik schreef de tekst inzake zusterfusies niet, maar wel teksten inzake aandelenopties, financiële zekerheidsovereenkomsten voor financiële instrumenten, de grensoverschrijdende fusies, de tweede versie van de tax op de effectenrekeningen, en volledig perfect waren deze werkstukken in een eerste versie ook niet steeds…
[11] De wettelijke bepalingen betreffen daarnaast ook de invoering van de term “bedrijfstak” en enkele er mee verbonden bepalingen wat betreft het inbrengrecht (registratierechten) wat het geheel van de wet wat minder overzichtelijk maakt, maar daarom niet minder nuttig.